Deze woordenlijst geeft alle definities met antwoorden op de eventuele vragen die u hebt als u surft op deze website, of om u voor te bereiden op een bezoek aan de Haras national du Pin.
Gang: manier en snelheid van verplaatsen, naar voren te gaan. Het paard heeft drie basisgangen: de stap, de draf en de galop. Men zegt dat het paard een mooie gang heeft als hij zich soepel en wijd verplaatst.
Zit: de mogelijkheid van de ruiter om in het zadel te blijven, meester van het evenwicht. De zit vraagt een soepele onderrug die het mogelijk maakt om de bewegingen van het paard tijdens de verschillende gangen te volgen. Van een goede ruiter zegt men dat hij een goede zit heeft.
Witvoet: gebied met witte haren (daaronder is de huid roze), die voorkomt op de onderste ledematen van een paard.
Muilezel: product voortgekomen uit de kruising tussen een paard en een ezelin. Deze hybride is steriel.
Ezelhengst: betekent een mannelijke ezel, ongeacht het ras.
Wieg van het ras: een geografisch gebied, min of meer uitgestrekt, waaraan men de oorsprong van de geboorte van een ras verbindt, voor een gegeven soort. Economische, sociale en gebruiksfactoren zijn in het algemeen verbonden aan het geografisch gebied van deze wieg. De benaming van het ras kan deze geografische vernoeming wel of niet dragen, zoals de Percheron voor de streek van de Perche.
Mank gaan: zich verplaatsen en daarbij een beweging vertonen (die deze afwijking waarneembaar maakt) die onregelmatig is bij de betreffende gang. Het paard ontlast het aangetaste been door er weinig op te rusten. De oorsprong van de kreupelheid en de plaats zijn verscheiden: peesontsteking, klap tegen de schouder, abces in een voet…
Box: overdekte individuele standplaats voor een paard. In een stal vindt men meerder boxen. De box is ongeveer 3 x3 m groot. Hij is gemaakt van materialen die weerbestendig zijn, maar ook schoppen en duwen van het paard weerstaan. De box moet helder, ruim, goed geventileerd en georiënteerd zijn teneinde een aangename leefomgeving te bieden aan het paard, dat er zo’n 22 uur per dag kan doorbrengen.
Teugel: uitrusting, het vaakst in leer, die bestaat uit regelbare riemen, die men bevestigt aan het hoofd van het paard en die stalen elementen bevatten in de mond van het paard (hun functie is om de commando’s van richting precies te leiden en aan te geven aan het paard, in het bijzonder door de leidsels). In tegenstelling tot de trens, waarbij er zich maar een element in de mond van het paard bevindt, bevat de teugel er twee; de riem en het bit van de teugel.
Stamkaart: aan beide zijden bedrukte kaart, uitgegeven op naam van de eigenaar van het paard. De inschrijvingskaart bevat hetzelfde unieke stamnummer (SIRE nummer) als het begeleidend document, de naam van het paard, de naam van de geregistreerde eigenaar(s). Bij gemeenschappelijk bezit van hoogstens vier eigenaars wordt ieders aandeel vermeld in procenten. (Bij meer eigenaars wordt genoteerd dat het paard gemeenschappelijk bezit is). Op de achterkant staat een verkoopcontract dat moet worden ingevuld en getekend als het paard van eigenaar verandert.
Buitenmanege: een terrein in de openlucht dat wordt gebruikt voor het dagelijks werk van het paard of voor dressuur competitie of springconcours.... De afmetingen (minimaal 20m x 40m) maken het mogelijk om verschillende ruiters tegelijkertijd te laten rijden. De vloer is in het algemeen op basis van zand, gras of geotextiel dat een soepelheid geeft die de benen van het paard spaart. Het terrein is omheind door een omsluiting (hek). Als deze ruimte is overdekt spreken we van een binnenmanege.
Bloedpaard: een paard waarvan de algemene morfologie redelijk licht is, wat het mogelijk maakt hem voornamelijk als rijpaard te gebruiken, dat wil zeggen voor een ruiter.
Trekpaard: een paard waarvan de morfologie nogal massief en krachtig is, die hem vroeger geschikt maakte voor gebruik in de landbouw. Vandaag zijn er 10 rassen trekpaarden erkend door de nationale stoeterijen in Frankrijk. Hun huidige gebruik is de productie van vlees of het gebruik in activiteiten van vrije tijd.
Zadelmak maken: stappen in de opvoeding van een paard die erop gericht zijn dat deze de bevelen van een mens opvolgt, met het doel om het te gebruiken als rij- of trekdier. De eerste fases bestaan uit het accepteren van contact, van orale bevelen, van uitrusting (aanbrengen van het bit, teugels…). Het zadelmak maken moet kalm worden uitgevoerd en een vertrouwensband moet op de voorgrond staan. Het zadelmak maken is voltooid wanneer de (simpele) vraag van de mens het juiste antwoord van het paard veroorzaakt.
Paardachtigen: plantenetende zoogdieren van de soort equus. Hun ledematen eindigen in een enkele vinger, waarvan de hoef niet is gespleten (het zijn onevenhoevige).
Paarden: bijvoeglijk naamwoord dat de specifieke samenhang aangeeft, de relatie met het paard in het algemeen. Bijvoorbeeld, de paardentak, een paardenwormkuur...
Dekhengst: bij paardachtigen een niet gecastreerde hengst die bestemd is voor de voortplanting.
Hengstenboer: een ervaren man die de dekhengsten voor de voortplanting beheert. Hij leidt het mannetje (de dekhengst) naar de merrie voor de dekking. De hengstenboer kan daarbij ook inseminator zijn.
Beslag: om de hoef te beschermen, de anatomie van de voet en zijn fysiologische functies, kan het nodig zijn om een paardachtige te beslaan. Het beslaan is de actie uitgevoerd door de hoefsmid om hoefijzers aan te brengen onder de hoeven van het paard. Het beslag komt overeen met de keuze van het type ijzer (verschillende vormen en materialen) al naar gelang het te bereiken doel (wijzigingen van de beenstand bijvoorbeeld).
Foal: naam die aan een veulen wordt gegeven gedurende het eerste jaar van zijn leven. Het is gemiddeld rond de 7de maand dat het veulen wordt gescheiden van zijn moeder (spenen).
Schoft: deel van het lichaam van het paard dat zich verticaal bevindt vanaf de voorste ledematen en dat een min of meer uitgesproken massa vormt. Daarvoor vindt men de hals, erachter de rug van het paard. Het is nodig om te schoft te beschermen, want deze is gevoelig (weinig ingekapseld). Daarom moet men een veilig zadel gebruiken, evenals een zadeldeken.
Stoeterij: plaats van fokkerij van paarden en in het bijzonder een verzameling vrouwtjes, de draagmerries. In meer algemene zin, spreekt men ook over een stoeterij om de ontmoetingsplaats aan te geven van de dekhengsten en de merries voor de voortplanting.
Hoge School: uitvoering van figuren of gangen die een lange en rigoureuze oefening van het paard vraagt. De croupade, de courbette, de cabriole, de priouette zijn sprongen en figuren van de hoge school. De passage, het trappelen ... zijn gangen van de hoge school. In Frankrijk is het in het bijzonder de prestigieuze Cadre Noir van Saumur die de praktijk van deze elementen van de “klassieke” paardensport voortzet, die een perfecte beheersing vereist van de rijkunst.
Hippisch: de hippische sport is het geheel van de beoefende sporten die een paard met een mens verbinden, en in het bijzonder degene die met koersen te maken hebben. Hippisch is dus het bijbehorend bijvoeglijk naamwoord (bijvoorbeeld, we spreken over een hippisch concours). We hebben het over paardensport om de Olympische disciplines te beschrijven (springconcours, dressuur, voltige…).
Ruin: paard dat gecastreerd is, hetgeen hem definitief uitsluit van het circuit van de fokkerij. De castratie veroorzaakt een verandering in het gedrag van een paard: hij wordt kalmer.
Identificatie: procedure waarbij een bevoegd persoon (de identificator) overgaat tot het opnemen van de natuurlijke kenmerken van een paard, wat het individueel determineert om het te herkennen aan de fysieke kenmerken.
Kunstmatige inseminatie: kunstmatig middel tot voortplanting, overeenkomend met het geheel van de handelingen, van de spermaopvang van de dekhengst tot de bevruchting van de merrie met het zaad.
Draagmerrie: vrouwtje van het paard dat al heeft gebaard. Een vrouwtje dat nog nooit bevrucht is geweest heet maiden.
Omsluiting: hekken, specifieke barrières van een renbaan, gebruikt om de baan gereserveerd voor rijpaarden te scheiden van de toeschouwers. In een buitenmanege kunnen bijzonder (lage) omsluitingen worden geplaatst om een afgescheiden ruimte aan te geven, zoals in het kader van een perk voor de dressuursport, waar de “dressuurpiste” is vastgesteld op 20m x 60m.
Stamboek (stud-book): een boek dat de gehele stamboom samenvat van een ras. Zo zijn de voorouders, de nakomelingen en de verwanten van een paard zelf ingeschreven in een stamboek.
Manege: overdekte ruimte, vaak rechthoekig, waarvan de grond soepel is (van zand of geotextiel), die het ruiters mogelijk maakt met een paard te werken en lessen in paardrijden te krijgen of te geven. Voorzien van kunstlicht kan hij bij alle weersomstandigheden worden gebruikt, op elk uur van de dag. De minimale afmeting is 20m x 40m. De basis van de muren is voorzien van schuine randen die de benen van de paarden en de ruiters beschermen tegen het schuren aan de muur, oorzaak van blessures. Als deze ruimte open is heet het een buitenmanege.
Dekking (periode van): “administratieve” periode tijdens welke de voortplanting van paarden is toegestaan. Globaal strekt deze zich van februari tot oktober uit.
Muildier: een kruising tussen een ezel en een merrie heeft als resultaat een muildier of mannelijke muilezel. Deze hybride is steriel.
Fokker: persoon die op het moment van de geboorte van een veulen eigenaar is van de merrie. Deze persoon wordt geacht de eigenaar van het veulen te zijn, tenzij anders vermeld.
Paddock: buitenruimte die is afgezet met hekken, met een grond van zand of gras, die het een paard mogelijk maakt om vrij rond te lopen. De afmetingen stellen het in staat om zich gemakkelijk te ontspannen. Er hoort vaak een onderdak bij.
Palfrenier: persoon die belast is met de dagelijkse zorg voor het paard. uitdelen van het voer, roskammen, eenvoudige veterinaire zorg. Hij onderhoudt de leefruimte van de paarden (stallen, manege…). Men gebruikt vaak de term verzorger. Hij kan ook ruiter zijn of voerman. Hij bezit een CAPA of een gespecialiseerd BEPA diploma.
Roskammen: het geheel van de handelingen die ten doel hebben om een paard te onderhouden en te toiletteren. Het borstelen van het hele lijf, het reinigen en invetten van de voeten…maken deel uit van de handelingen die dagelijks terugkeren. Men gebruikt roskammen (een schraper van rubber of metaal om het vuil uit de vacht te halen) evenals verschillende types borstels (met zachte of harde haren) afhankelijk van het deel dat men reinigt.
Pony: paardachtige waarvan de schofthoogte de 1,48m niet overstijgt. Het vrouwtje heet vrouwtjespony. In Frankrijk zijn er 11 ponyrassen erkend door de nationale stoeterijen.
Merrieveulen: bij de paarden een jonge merrie vanaf de geboorte tot ongeveer 4 jaar. En merrieveulen is nog niet drachtig geweest.
Chip of elektronische transponder: klein element (zo groot als een rijstekorrel) dat links aan de hals van het paard wordt aangebracht, dat gecodeerde informatie bevat (uniek nummer) gemakkelijk leesbaar met een aangepast apparaat. Dit nummer is geregistreerd bij de SIRE. De elektronische transponder wordt gemeenlijk ‘chip” genoemd.
Ras: een groep dieren die morfologische gelijkenissen vertonen, die hebben geresulteerd in een profiel van gebruik, en het mogelijk maken de families te klasseren. familie van trekpaarden, familie van bloedpaarden, familie van ponyrassen en familie van ezelrassen. De dieren kunnen worden gebruikt via kruising of als zuiver ras. Hierbij hoort onlosmakelijk verbonden de methode van selectie.
Reprise: “choreografie” uitgevoerd door een ruiter met zijn paard in het kader van een dressuurwedstrijd, waar de figuren en/of de tracés verplicht zijn Deze term wordt ook gebruikt voor het omschrijven van een collectieve rijles (paardrijden in de reprise van een niveau) of betekent dat men in ganzenpas dient te rijden op de baan tijdens de les. De instructeur zegt dan “in reprise!”
Vacht: het geheel van de haren op lichaam van een dier. Het onderscheid tussen de verschillende basisvachten wordt op grond van vier criteria gemaakt: de kleur van de haren, de kleur van de uiteinden (manen, staart en onderbenen), de kleur van de huid (over het gehele lichaam), de kleur van de ogen. Er bestaan drie grote families van basisvachten: de familie zwart, de familie bruin en de familie vos, evenals een familie overigen.
Bespringen: het paren van dieren voor de voortplanting. Men gebruikt ook de term “dekking”. Het paren kan worden geleid door de mens wanneer men bijvoorbeeld de kunstmatige inseminatie gebruikt.
Spenen: moment (rond de 7de maand) waarop men het veulen van zijn moeder scheidt. Na deze periode hoeft het niet meer gezoogd te worden om zich te voeden. Het spenen kan geleidelijk worden gedaan (scheiden van de moeder en het veulen tijdens de nacht gedurende de eerste dagen) of definitief.
SIRE: Frans informatiesysteem van alle paarden en paardachtigen.
Souffleur: mannetje gebruikt om te zien of een merrie hengstig is. Hij dekt ze niet. De merrie die in een afschot staat wordt door de souffleur geroken. Afhankelijk van het gedrag van de merrie kan men bepalen of de merrie hengstig is of niet, want in het laatste geval zal zij tekenen van verdediging vertonen ten opzichte van dit mannetje.
Standaard: voor een gegeven ras, de kenmerken vastgesteld door het stamboek, die de verwachte morfologische criteria preciseren en een dominant gebruik vermelden.
Gevolg: een merrie die een veulen voedt en opvoedt.
Parforcejacht of lange jacht: kunst van de praktijk van de drijfjacht waar het dier wordt gevolgd door een meute honden. Men onderscheidt de lange en korte parforcejacht, de eerste heeft paarden nodig voor het volgen van de jacht in het bos.
Voltige: discipline met paarden waar de voltigeruiter acrobatische toeren uitvoert op de rug van het paard, dat in een cirkel aan leidsel in galop geleid wordt door een menner.
Jaarling: een veulen van meer dan een jaar oud. Deze term wordt in het bijzonder gebruikt als “yearling” voor Engelse volbloeden.