Accueil > Le Haras national du Pin se dévoile > Histoire > Gisteren en vandaag op de Haras national du Pin
    

Gisteren en vandaag op de Haras national du Pin

Geschiedenis

Geschiedenis en architectuur

De Koning kiest zijn land…

Lodewijk de XIVde stichtte zijn stoeterij Saint-Léger in de nabijheid van Saint-Germain-en-Laye. Ondanks het bijbehorende prestige et belangrijke investeringen leek de productie nooit bevredigende resultaten op te leveren: de landbouwgronden bleken weinig vruchtbaar, de parken lagen te ver uit elkaar en de paarden hadden een zwakke gezondheid.

 

In 1714 vertrouwde de koning dus aan zijn Opperstalmeester François Gédéon de Garsault de taak toe om een plek te vinden die gunstiger was voor de paardenfokkerij. Na zijn aandacht gericht te hebben op het woud van Brotonne, nabij Rouen, besloot hij tot de Buisson van Exmes, dichtbij Argentan. Dit land werd onverwijld uitgebreid tot de heerlijkheid van le Pin die toebehoorde aan de staatsraad Béchameil de Nointel, die toestemde om zijn domein te ruilen tegen andere landerijen in Picardië. Op 2 april 1715 werd de transfer van de oude koninklijke stoeterij van Saint-Léger naar de Buisson van Exmes verordonneerd.

…om er het “Versailles van het paard" te bouwen.

Twee namen zijn verbonden aan de bouw van de Koninklijke stoeterij, uitgevoerd voor het grootste deel tussen 1715 en 1736 in het hart van een domein van 600 hectares.
Robert de Cotte, eerste architect van de koning sinds de dood van Jules-hardouin Mansart in 1708, tekende de plannen voor de gebouwen. eerder had hij deelgenomen aan grote koninklijke bouwprojecten, in het bijzonder de afbouw van de kapel van het kasteel van Versailles. Pierre le Mousseux voerde de tekeningen van Robert de Cotte uit en vervolgde de bouw van de nieuwe stoeterij. Vervolgens werkte hij lange jaren samen met Jacques-Jules Gabriel, die de eerste architect des konings werd in 1735, in het bijzonder tijdens de herbouw van de stad Rennes na een brand in 1720.

De bouw van de stoeterij schijnt zich in twee fases te hebben afgespeeld omdat het kasteel werd gebouwd tussen 1719 en 1724, maar het overbrengen van de paarden van Saint-Léger plaatsvond vanaf 1717, 200 dieren, laat denken dat de grote stallen al klaar waren op die datum.

Pas aan het begin van de XIXde eeuw, op de tekening van Desessart, daterend uit 1807, verschijnt het geheel van de gebouwen nodig voor een perfect functioneren van de stoeterij, getuige van de klassieke architectuur van de Grote Eeuw.

De koninklijke stoeterij…

De creatie van de koninklijke stoeterij beantwoorde aan een wil en een noodzaak: sterkere paarden te produceren voor de militaire dekkingen, dat wil zeggen beschikbaarheid van paarden voor de legeronderdelen, en de Grote Stal van Versailles.

Zo bestond de voornaamste activiteit van de Haras van Exmes uit het kiezen van de rassen en paardenfokken, waarvan de mooiste voor de reproductie waren en de andere verstuurd naar de Grote Stallen van Versailles voor militaire dekking en het Koningshuis.

 
De laatste jaren van het Ancien Regime werden gekenmerkt door de efficiënte directie tussen 1784 en 1789 door de Prins de Lambesc, Opperstalmeester van de koning en opperintendant van de administratie van de stoeterijen, gereorganiseerd in 1764. Bij het decreet van de Raad van de koning van 11 december 1784 was het kapiteinskantoor van de haras van Exmes opgeheven en verzorgde de Opperstalmeester de directie. Vanaf dat moment werd de koninklijke stoeterij alleen nog voor dekking gebruikt voor de provincie Normandië. Aan de vooravond van de Revolutie herbergde de koninklijke stoeterij 196 hengsten. In 1790 telde men 40 veulens en merrieveulens, waarvan een meerderheid gespeend, getuige van de formidabele dynamiek van de productie. Dit aantal werd aangevuld met 132 paarden, “goedgekeurde paarden” genoemd, toebehorend aan particulieren, verdeeld over de hele provincie Normandië, tegenwoordig bestaand uit de departementen Orne, Calvados, Manche, Eure, Seine-Maritime en Sarthe en geplaatst onder de controle van de inspecteur van de Administratie der Stoeterijen.

…wordt nationaal

De Grondwetgevende Vergadering verordende op 20 januari 1790 de verkoop van de dekhengsten van le Pin, maar dankzij een petitie van de raad van het departement van de Orne, die de stoeterij wilde behouden, werd er een depot van 40 dekhengsten gehandhaafd tot maart 1793, datum waarop de verkoop van de dekhengsten onvermijdelijk werd.

 

…tot aan zijn keizerlijke wedergeboorte

Na een onzekere periode herstelde het keizerlijk decreet van 4 juli 1806 de stoeterijen en de depots van dekhengsten. De Haras van Exmes, vanaf toen aangeduid met de naam Haras du Pin, werd aan het hoofd geplaatst van het 1ste arrondissement, gelegen in een district bestaande uit de departementen van de Somme, de Seine-et-Marne, de Haute-Marne, de Eure en de Manche.

Hoewel zij als nationale goederen waren verkocht aan privébezitters tijdens de periode van de Revolutie, werd een groot aantal terreinen teruggekocht vanaf 1808, terwijl in allerijl belangrijke herstelwerkzaamheden werden uitgevoerd aan de gebouwen van le Pin.

Het was overigens urgent de stallen te herbevolken: Normandische merries, Engelse volbloeden geapprecieerd voor hun “hoofd en benen”, en in januari 1814 de terugkeer van de stal van Borculo, gelegen in de oude Hollandse landen, geannexeerd door het Empire en vernietigd door de napoleontische veldtochten, kwam de oude, zieke of verdwenen paarden vervangen.

De Haras du Pin hervond zijn functie en zijn uitstraling die hij bijna een eeuw lang zou hebben over de gehele paardenproductie in Frankrijk.

 

Copyright GRAHAL (tekst opgesteld voor het ontedekkingsparkoers van de écurie n°1, museografische ruimte geopend sinds april 2006) Fotos : "Lodewijk de XIVde te paard", Houasse, RMN-DR, "Robert de Cotte", Rigaud, RMN G.Blot/H.Lewandoski, "Charles-Louis de Lorraine, Prince de Lambesc", Cars, RMN-F.Raux, architectentekening voor de eerste stoeterij van de koning, Robert de Cotte, Archives nationales, HN-G.Vilquin; erepoort van de Haras, HN-DR.